De leading visions  in leiderschap

door Han van der Pool en Carl Larsen

 

 

Han van der Pool is verantwoordelijk voor internationale management programma’s en HR programma’s van Heineken.International. Hij heeft eerder als organisatie adviseur bij KSG-Berenschot gewerkt en als Director Human Resource Development bij Koninklijke Ahold.

Carl Larsen geeft coaching workshops aan managers van multinationals in Azië en Europa. Hij heeft gewerkt als partner van Institute for Organisation Development , als directeur in de geestelijke gezondheidszorg en als directeur  bij Philips International.

Overzicht van dit hoofdstuk

In dit hoofdstuk geven we een overzicht over de hoofdstromen in leiderschapsvisies in een historisch perspectief. We hebben deze hoofdstromen gerangschikt naar de vier volgende themas:

a)      leiderschapsvisies met accent op de persoon van de leidinggevende.
Als voorbeelden van deze stroming bespreken we het MBTI-model van Meyers-Briggs en de visies van Manfred Kets de Vries, Stephen Covy en Jim Collins en Jerry Poras.

b)      leiderschapsvisies met accent op het gedrag van de leidinggevende

Als voorbeelden van deze stroming behandelen we de managerial grid van Blake & Mouton en het in veel organisaties ingevoerde concept van competentiemanagement.

c)      leiderschapsvisies met accent op de situatie van de leidinggevende en de organisatie
We bespreken hierbij het situationeel leiderschapsmodel van Hersey-Blanchard, de rol theorieën van Mintzberg en de modellen van Quinn.

 

d)      leiderschapsvisies  onder de noemer van ‘coachend leiderschap’
Onder deze stroming vallen de visies van Willem Verhoeven en Robert Hardgrove. We bespreken deze stroming aan de hand van het model van Carl Larsen.

We bespreken deze vier hoofdstromen in vier afzonderlijke paragraven 2.1 tot en met 2.4 . Maar in de volgende paragraaf gaan we eerst in op de begrippen leiding geven, leiderschap en management. Tenslotte eindigen we in paragraaf 3 met een aantal conclusies met betrekking tot de rol van leiderschap en de hedendaagse leiderschapsvisies.

 

1.  Leiding geven, leiderschap en management

Leiderschap is een intrigerend fenomeen. Iedereen weet dat het bestaat, maar vaak kunnen wij er niet precies een vinger op leggen wat het inhoudt. Er bestaan ongeveer net zo veel definities van leiderschap als er publicaties over zijn verschenen. (Google kent op “leadership” ca 5 miljoen  hits). Toonaangevende bedrijven vinden ontwikkeling van hun top managers een integraal deel van hun bedrijfsstrategie. Leiderschap is een belangrijke randvoorwaarde voor het succes in organisaties. Globalisatie, continue groei van het bedrijf, omgaan met steeds nieuwe technologieën vragen nieuwe vaardigheden. Leidersschap is bepalend voor de economische performance van het bedrijf. 

 

Kwaliteit van producten en dienstverlening, verkoop resultaten en  innovatie worden gunstig beïnvloed door de ontwikkeling van leiderschap binnen de onderneming. Onderzoek laat zien dat leidinggevenden die regelmatig actief zijn met persoonlijke ontwikkeling hierdoor een competitief voordeel hebben.

 

Leiderschapsontwikkeling heeft ook grote invloed op de manier waarop medewerkers hun kennis en competenties kunnen benutten en het behoud van talentvolle medewerkers. Een van de beste leermogelijkheden die een organisatie medewerkers kan bieden, is een leidinggevende die oog heeft voor hun leerproces. Ervaring zowel als onderzoek geeft aan dat training ongeveer 10% uitmaakt van de manier waarop mensen leren. Leren gebeurt juist meestal op een informele manier, door zelf iets te proberen of door een collega te raadplegen. Voor leidinggevenden is het de kunst om dit informele leren te stimuleren, zodat mensen zelf nieuwe inzichten ontdekken terwijl ze werken aan de ontwikkeling van de organisatie. Door medewerkers te betrekken bij de vraag hoe het team en de organisatie het best kunnen inspelen op veranderingen, door hen medeverantwoordelijk te maken voor strategische vragen en door het denken hierover als een leersituatie in te richten, blijkt een effectieve en efficiënte manier van leren binnen handbereik te liggen. De stijl van leidinggeven is bepalend of al het talent dat aanwezig is binnen de organisatie optimaal wordt benut.

 

Leiderschap en management: twee begrippen

De begrippen 'leiderschap', 'leidinggeven' en 'management' worden regelmatig door elkaar gebruikt. Leiderschap en management vallen beiden onder de noemer 'leidinggeven'. Tabel 1 toont het onderscheid tussen de twee begrippen. In de praktijk lopen de activiteiten vaak door elkaar.

 

 

leiderschap                                                                          management

visie hebben en uitdragen                                  organiseren

ontwikkelingsgericht/vernieuwen                       beheren

communiceren                                                 budgetteren

bewegen                                                         consolideren

monitoren                                                        planning en controle

inspireren                                                        problemen oplossen

vooral mensgericht                                           gericht op systemen en structuren

de 'wat'- en 'waarom'-vraag                             de 'hoe'- en 'wanneer'-vraag

de goede dingen doen                                       de dingen goed doen

'span of support'                                               'span of control'

Tabel 1: Het onderscheid tussen leiderschap en management.

 

Over het algemeen kan worden gesteld dat “leiderschapsgedrag” verwacht mag worden van managers aan de top van der organisatie en dat de managementvaardigheden verwacht mogen worden van de middenkader functies. De management vaardigheden zichten zich veelal op het implementeren en doelmatig doorvoeren van veranderingen in de organisatie.

2.     De vier hoofdstromen in leiderschapvisies

2.1    Leiderschapsvisies met accent op de persoon van de leidinggevende.
Aanvankelijk werd leiderschap gezien als iets wat je had of wat je niet had: een kwestie van karaktertrekken. Iemand werd als leider geboren en leiderschap kon dus niet echt ontwikkeld worden. Deze benadering die in de jaren dertig en veertig haar hoogtepunt vond, gold als de “Traits of greatman theories”. In deze benaderingen ligt het accent op de persoonlijke eigenschappen van de leider. Het uitgangspunt is dat leiders over universele kenmerken beschikken, die hen effectieve leiders maken. Deze eigenschappen zijn stabiel, aangeboren en gegeven ongeacht de situatie waarin de leider zich bevindt.  Goede leiders zijn volgens deze benadering geboren, niet gemaakt of opgeleid. Voor het identificeren van deze leiders is het dus zaak om de persoonlijkheidstrekken te herkennen en de leiders van de niet-leiders te onderscheiden. Het onderzoek en de theorievorming richten zich op het in kaart brengen van het ideale leiderschapsprofiel. Een profiel dat overblijft ongeacht de situatie waarin de leider zich bevindt.

Moderne theorieën die zich richten op de persoonlijkheid van de leider zijn te vinden in het werk van Myers-Briggs, Manfred Kets de Vries, Stephen Covey en Jim Collins en Jerry Poras.

2.1.1   MBTI model van Myers-Briggs 
Een veelgebruikt model in verband om persoonlijke eigenschappen te achterhalen is de Myers-Briggs Type Indicator (MBTI). Myers en Briggs gebruiken vier afzonderlijke dimensies die iemands levenshouding en gedragsstijl weerspiegelen. Elke dimensie bestaat uit twee voorkeuren. Elk mens gebruikt ze beiden, maar heeft een voorkeur voor één ervan.

Tabel 2  De MBTI-dimensies

Dimensie1: Waar richt de persoon de aandacht op?

( E )  Extraversie

( I ) Introversie

Kenmerken: gericht op de externe omgeving, bij voorkeur mondeling communiceren, leren door te handelen en te discussiëren, initiatief nemen en sociaal expressief gedrag.

Kenmerken: voorliefde voor het innerlijk, bij voorkeur schriftelijk communiceren, leren door na te denken en mentale oefening, concentratie en teruggetrokken en rustig gedrag.

Dimensie 2. Hoe neemt de persoon de informatie op?

( S ) Observatie

( N ) Intuïtie

Kenmerken: aandacht richten op wat echt en feitelijk is; waarderen van praktische toepassingen, informatie stapsgewijs willen verwerven.

Kenmerken: aandacht richten op het totaalbeeld en de verschillende mogelijkheden, abstract en theoretisch qua instelling, alles behalve stapsgewijs informatie verwerven: van de hak op de tak springen.

Dimensie 3. Hoe neemt de persoon beslissingen?

( T) Reflectie

( F ) Gevoel

Kenmerken: analytisch denken, probleemoplossende vaardigheden, oorzaakgevolg redeneringen, vastberadenheid, eerlijk en redelijk zijn.

Kenmerken: sympathieke houding aannemen, impact hebben op mensen, zich laten leiden door persoonlijke waarden, streven naar eensgezindheid, meevoelen.

Dimensie 4. Hoe is de persoon gericht op de buitenwereld?

( J ) Beheersing

( P )Perceptie

Kenmerken: schematische aanpak, systematiek, organisatie en planning, vermijden van stresssituaties.

Kenmerken: spontaniteit, openheid, onsystematische aanpak, flexibiliteit, energie halen uit stresssituaties.

Door deze voorkeuren te combineren, ontstaan 16 verschillende types. Er bestaan geen goede of slechte voorkeuren en dus ook geen goede of slechte types. Wel kunnen de verschillende typologieën met elkaar in conflict komen en bepaalde spanningen veroorzaken.

De Myers-Briggs Type Indicator helpt managers hun eigen voorkeurstype en dat van hun medewerkers te doorgronden. Die kennis komt van pas bij:
- keuze van de meest effectieve leiderschapsstijl
- ontwerp van persoonlijke ontwikkelingstrajecten
- advies over opleiding en loopbaan
- teambuilding en teamontwikkeling
- communicatie met individuele medewerkers en teams

2.1.2   Manfred Kets de Vries over de irrationele persoonlijkheid

Manfred Kets de Vries bekijkt de wereld en leiders daarbinnen van uit een psycho-analitisch perspectief. Klinisch speurwerk, zo stelt hij, heeft opgeleverd dat mensen met leidinggevende kwaliteiten op zoek zijn naar harmonie tussen drijvende krachten in hun eigen psyche (“innerlijk theater”) en wat er in de buitenwereld gebeurt. Leiders zijn in staat hun eigen innerlijke motieven te verbinden met de veranderingen in de buitenwereld. “Zij hebben gevoel voor timing, ze herkennen kansen en hebben de gave anderen enthousiast te maken en te zorgen dat ze zich achter hun ideeën scharen” .

Hij  laat zien hoe irrationele gevoelens van leiders en volgers in de hele bedrijfscultuur kunnen doordringen en hun sporen kunnen nalaten in de managementstructuur, waardoor 'normale' bedrijven en hun leiders plotsklaps de kluts - en geld - kunnen kwijtraken. Kets de Vries biedt een kijk op de interacties van mensen in organisaties, die dieper gaat dan de beschrijvingen die meestal worden gemaakt. Hij onderzoekt de psychodynamiek van organisaties, waarbij hij laat zien hoe het lot van bedrijven bepaald kan worden door zowel bewuste als onbewuste processen, die invloed hebben op veel van de beslissingen die in de organisatie worden genomen. Kets de Vries stelt dat rationele benaderingen van management, die ervan uitgaan dat mensen gestuurd kunnen worden door uitsluitend logische, doelmatige vormen van organisatie, op een verkeerde veronderstelling berusten. Hij toont aan dat managers van bedrijven zoals ieder ander, niet altijd rationele wezens zijn. Ook zij worden soms gedreven door emoties, verlangens en fantasieën, waardoor de manier waarop zij hun bedrijf runnen beïnvloed wordt. Deze benadering van management, waarbij de rol beschouwd wordt van de onbewuste en irrationele drijfveren, leidt tot een authentieke beschrijving van het leven in organisaties, die managers de weg kan wijzen naar effectievere methoden van probleemoplossing en creatief leiderschap.

Inspirerende leiders zijn volgens Kets de Vries een schaars goed. Bovendien staan leiders aan enorme psychologische druk bloot, die de kwaliteiten in hun tegendeel kunnen doen verkeren. De faalfactoren zijn immens. Wat als kwaliteit begint kan in een pathologie veranderen. In andere woorden: de doorgeschoten kwaliteit wordt een valkuil. Leiderschap is ook een kwetsbaar goed.

“Om te begrijpen waarom leiders handelen zoals zij handelen en waarom het model van rationeel gedrag en rationele actie niet werkt, moeten we ons buigen over de persoonlijke strijd die leiders leveren onder de psychologische druk die zij ondergaan”

Manfred Kets de Vries

2.1.3    Steven Covey over effectieve leiders

Leiderschap is volgens Covey de kunst van het mogelijk maken. “Het gaat  erom de waarde en het potentieel van anderen zo duidelijk en zo krachtig te communiceren dat zij zelf zien dat het waar is en zo hun proces van innerlijke groei in gang zetten”. Om dit als leider mogelijk te maken dient een leider te voldoen aan vier eisen of rollen: hij toont karakter en is een betrouwbaar rolmodel, hij heeft visie en geeft richting, hij stroomlijnt de organisatie door te zorgen dat mensen op één lijn zitten en hij richt zich op empowerment van individuen en teams. Een leider volgens Covey is een voorbeeld voor anderen en wekt vertrouwen op. Op basis van dit vertrouwen kunnen de andere rollen vervuld worden.

Om een betrouwbaar rolmodel te zijn, dient de leider de zeven eigenschappen van effectief leiderschap zich eigen te maken. Bij leiderschap draait  volgens Covey namelijk alles om persoonlijk leiderschap. Covey beschrijft in zijn boek ‘De zeven eigenschappen van effectief leiderschap’ de eigenschappen die succesvolle mensen gemeenschappelijk hebben: proactiviteit, doelgerichtheid, beginnen bij het begin, denken in termen van win-win relaties, eerst begrijpen dan begrepen worden, synergetisch werken en evenwichtige zelfvernieuwing. De eerste drie eigenschappen leggen de basis voor onafhankelijkheid van anderen en de omgeving. Onafhankelijke mensen nemen initiatief,  kiezen hun eigen doel en stellen prioriteiten. De volgende drie eigenschappen gaan over effectief samenwerken. De zevende gaat over het ontwikkelen en onderhouden van de zes overige eigenschappen. In zijn boek ‘De 8ste eigenschap’ beschrijft Covey de achtste eigenschap van effectieve leiders: het vermogen om mensen te inspireren.

Steven Covey “De zeven eigenschappen van effectief leiderschap”

Eigenschap 1 - Wees pro-actief. Principes van persoonlijk inzicht
Eigenschap 2 - Begin met het einde voor ogen. Principes van persoonlijk leiderschap
Eigenschap 3 - Begin bij het begin. Principes van persoonlijk management
Eigenschap 4 - Denk in termen van winnen. Principes van interpersoonlijk leiderschap
Eigenschap 5 - Probeer eerst te begrijpen, dan begrepen te worden. Principes van empathische communicatie
Eigenschap 6 - Werk synergetisch. Principes van creatieve samenwerking
Eigenschap 7 - Hou de zaag scherp. Principes van evenwichtige zelfvernieuwing

In “de 8e eigenschap” zegt Covey dat de geschiedenis laat  laat  zien dat fundamentele veranderingen vaak het gevolg zijn van de keuzes van één persoon. Deze mensen hadden hun eigen innerlijke ontwikkelingsweg, waren principieel en hadden een visie voor ogen. Hun visie en voorbeeld inspireerden mensen, waardoor de verandering mogelijk werd.

Een ander element wat Covey benadrukt is dat leiderschap  alle niveaus in de organisatie raakt. Het is  vooral de opbrengst van het samenspel tussen de  leidinggevende en de medewerker. De kern zit dus in die relatie: zonder ‘volgers’ geen leiderschap. De situatie (context) speelt hierbij ook een belangrijke rol, vooral voor degenen die leiding krijgen. Daarmee is leiderschap een collectieve verantwoordelijkheid geworden. Dit wordt niet altijd zo gevoeld, ervaren of benut. Deze samenhang van leiderschapselementen vraagt wel het voortdurende besef of de effectieve match er is en vooral ook of deze blijft bestaan. Vanuit hun 'formele' positie zullen leidinggevenden echter wel met deze 'bredere' uitdaging moeten leren omgaan. Daarom zullen zij zich moeten bekwamen in de 7 eigenschappen (en sinds kort volgens Covey ook in de 8e eigenschap!)

2.1.4   Jim Collins en Jerry Poras over dienstbaarheid

Sinds de jaren ’80 is er sprake van een nieuwe trend in het denken over leiderschap. Deze benadering wordt op verschillende manieren beschreven: inspirerende leiderschap, transformationeel leiderschap, charismatisch leiderschap of visionair leiderschap. Deze benadering integreert veel van de ideeën uit de andere stromingen.

De kerngedachten ervan zijn nauw verwant met  aan de denkbeelden van Mayo, die in de jaren ’20 de beroemde Hawthorne-experimenten uitvoerde. Volgens Mayo toonden de uitkomsten hiervan aan hoe belangrijk aandacht van het management is voor de prestaties  en de tevredenheid van medewerkers.

De Amerikaanse onderzoekers Jim Collins en Jerry Porras schreven in 1994 de bestseller Built to Last. Zij beschreven visionaire bedrijven die succesvol waren door hun sterke gerichtheid op mensen, hun leerprocessen en kennisuitwisseling. Collins deed een uitgebreid vervolgonderzoek en selecteerde 11 bedrijven die langere tijd (>15 jaar) significant succesvoller waren op de beurs dan hun concurrenten. Een van de factoren voor het succes bleek het type leiderschap (level 5 leiderschap). Naast het veelbelovende individu (level 1), de goed presterende medewerker (level 2), de competente manager (level 3), de effectieve leider (level 4) is de level 5-leider de (tegenstrijdige) mix van bescheidenheid en professionele wilskracht. Geheel tegen de verwachting van de onderzoekers in, bleken de leiders van de zogenaamde “good-to-great” bedrijven zonder uitzondering zichzelf wegcijferend, rustig, gereserveerd en tot op het verlegene af te zijn. Daarnaast waren zij overigens ook zonder uitzondering wilskrachtig en onverzettelijk. Vrijwel zonder uitzondering waren deze leiders mensen die uit het eigen bedrijf voortkwamen en die tot op de dag van vandaag onbekend zijn bij het grote publiek. Compleet anders dus dan het stereotype beeld dat we hebben van de gemiddelde Amerikaanse CEO (extravert en haantje de voorste).
Hun ambitie richtte zich niet op het eigen ego maar op hun dienstbaarheid aan het bedrijf, de mensen en het toekomstbestendig maken en houden van de organisatie. Zij konden aan een ieder de huidige en de streefsituatie helder duiden en waren in staat om in grote lijnen de weg aan te geven waarlangs de streefsituatie bereikt kon worden.

Het is duidelijk dat de mate van effectiviteit van dit soort leiderschap erg samenhangt met de kwaliteit van de relatie tussen de persoon en de visie van de leider (de leiding), de context op dat moment en de mate waarin medewerkers daarop intekenen. Als deze per definitie 'tijdelijke' en daardoor 'unieke' match goed is, ontstaat effectief leiderschap. Dit alles is uitgebreid beschreven in Good to Great (2001).

Deze duiding van leiderschap kom je, in andere bewoordingen, regelmatig tegen, vaak aangevuld met gewenste eigenschappen als verbeeldingskracht, inspiratie, moed, daadkracht, echtheid, integriteit en sociale bewogenheid (zie ook Ganzevoort 2003, Spiritualiteit in leiderschap).

2.2   Leiderschapsvisies met accent op het gedrag van de leidinggevende.

In de jaren vijftig en zestig is er oog gekomen voor de gedragskenmerken als variabelen van leidinggeven. Het gedrag van de leider kwam in de aandacht. Veel theorieën richten zich  met name op de manier van werken van de leider. Deze hoofdstroming stelt het gedrag van de leider centraal. De effectiviteit van leiders is in deze benadering afhankelijk van het gedrag of de stijl van leiding geven die zij hanteren. De achterliggende gedachte hierbij is dat als er een ideale stijl van leidinggeven kan worden geïdentificeerd, leiders kunnen worden opgeleid om zich conform die stijl te gedragen. We bespreken van deze stroming Blake en Mouton en een moderne vorm waarin een accent gelegd wordt op competenties, die algemeen bekend staat onder de naam “competentie management”.

2.2.1 Taak- en mensgericht leidinggeven

Een voorbeeld van deze stroom  is de managerial grid van Blake & Mouton. Dit leiderschapsmodel bestaat uit een rooster met twee assen  (een gericht op de taak en een gericht op de relatie) die samen een matrix vormen. Elke leider kan op deze twee assen worden gescoord en krijgt op basis hiervan een plaats in het rooster. De ideale leider in deze theorie scoort hoog op beide assen. In een stabiele en voorspelbare omgeving is dit model waarin de leider taakgericht blijft en waarbij er ook veel aandacht is voor een optimale relatie met de medewerkers, is dit model nog wel bruikbaar.  Maar organisaties opereren in een steeds grilliger en complexe context, waarin technologische ontwikkelingen, globalisering, toenemende concurrentie en deregulering kernthema’s zijn.

2.2.2 Competentie management

Veel organisatie hebben inmiddels  competentie profielen ontwikkeld om goede leiders te identificeren en te ontwikkelen.  Deze competentie “sets” zijn gebaseerd op de belangrijkste taak elementen en vertalen deze elementen naar vereiste kennis, motivatie en gedragingen van de leidinggevenden. 

Zo hebben veel multinationals competentie modellen ontwikkeld met competenties zoals 
“ Aligning Performance for Success”, “Building Customer Loyalty” of  “Ensuring dialogue”. Deze competenties zijn vertaald  naar verifieerbare gedragscomponenten. De  managers worden beoordeeld al dan niet via 360 graden feedback systemen op hun gedrag.

Het is interessant om te zien dat coaching in veel van deze competentie modellen een belangrijke plaats inneemt. De definitie van de coaching competentie bijvoorbeeld bij een internationale retail onderneming is “Providing timely guidance and feedback to help others strengthen specific knowledge/skill areas needed to accomplish a task or solve a problem”.

In organisaties die met competentie management werken ziet men het vaak als instrument ontwikkeling om meer vat te krijgen op leiderschap.

 

Een voorbeeld van een competentie model voor effectief leiderschap met drie belangrijke taakelementen:

–         een toekomstgerichte visie ontwikkelen en uitdragen;

–         de organisatie volgens die visie in beweging brengen en houden;

                    inspireren en ontwikkelen van medewerkers.

Figuur 1: Voorbeeld van een competentiemodel

Bedrijven zijn in toenemende mate actief in leiderschapsontwikkeling door gebruik te maken van individuele ontwikkelingsplannen, die gebaseerd zijn op de “leadership competenties” die de toekomst van het bedrijf moeten garanderen.

Volgens een survey van de  American Management Association (AMA), besteden  meer dan  een kwart van de bedrijven meer dan een derde van hun jaarlijkse budget voor trainingen en opleiding aan leiderschapsprogramma´s.  

Hierbij een overzicht van verschillende manieren van leiderschapsontwikkeling:

·         Externe leiderschapsontwikkeling programma´s georganiseerd door universiteiten, executive training instituten en training van professionele bureau´s.

·         Interne leiderschapstraining programma´s.

·         Tijdelijke “stretch” assignments die een individu helpen om nieuwe vaardigheden en competenties te ontwikkelen

·         International assignments voor het verkrijgen van nieuwe ervaringen

·         Externe leiderschapstraining door consultants georganiseerd

·         Job rotation

·         Formal mentoring programma´s

 

Coaching vanuit de benadering van competentie management wordt gezien als een flexibele en vertrouwelijke communicatie over en weer. Essentieel is dat het gaat over  feedback, ondersteuning en advies geven. Executive coaching, het coachen van het hoger management, wordt hierbij op drie verschillende manieren georganiseerd namelijk door feedback coaching, indepth-coaching en inhoudelijke coaching.

a)  Feedback Coaching
Hierbij wordt directe feedback gegeven in het kader van een persoonlijk ontwikkelingsplan en worden specifieke vraagstukken aan de orde gesteld (duur gemiddeld een tot drie maanden)

b)      In-Depth Coaching
Hierbij is een nauwe en diepe band noodzakelijk. Het gaat om een langdurige relatie tussen de executive manager en een coach, waarin specifieke en veelal persoonlijke vraagstukken worden doorgewerkt (gemiddelde duur zes tot twaalf maanden).

c)        Inhoudelijke Coaching
Hierbij krijgen leiders hulp bij inhoudelijk complexe vraagstukken met als doel de vaardigheden te vergroten (variabele duur).

Succesvolle leiderschapsontwikkeling programma´s maken gebruik van verschillende methodieken. Ondersteuning van het top management en een sterke verbinding naar strategische vraagstukken zijn een voorwaarde voor succes. De uitkomsten van de programma´s dienen de leidinggevenden te helpen vraagstukken uit de dagelijkse business praktijk op te lossen.

 

2.3   Leiderschapsvisies met accent op de situatie

Een derde lijn van theorieën of stroming met betrekking tot leiderschap is zichtbaar als naast de persoon en het gedrag van de leider ook de situatie waarin de leider verkeert, wordt meegenomen. Deze zogenaamde contingentietheorieën kunnen zich richten op de relatie met medewerkers of  de rollen die door leidinggevende dienen te worden vervuld als antwoord op verschillende soorten uitdagingen. In de volgende twee subparagraven zullen we deze apart behandelen.

 

2.3.1 Relatie theorie van Hersey-Blanchard

Het  “Situationeel leiderschapsmodel” van Hersey-Blanchard (1967) is een uiterst praktisch model en beschrijft hoe leiders zich tot hun ondergeschikten moeten gedragen, gegeven het ontwikkelings niveau van die medewerker(s). Deze theorie wordt in veel ondernemingen gebruikt en aangehaald in managementtrainingen voor aanstaande leidinggevenden.

In 1994 is het model door Blanchard aangepast onder de titel “Situationeel leiderschap II”.  Het model richt zich op de communicatie tussen de leider en de medewerker. Hierbij gaat hij er van uit dat er gezamenlijke afspraken worden gemaakt waardoor zowel de organisatie als de persoonlijke doelen worden gehaald. Het uiteindelijke doel is de medewerkers zo zelfstandig mogelijk te laten werken. Vier stijlen van leiderschap worden onderscheiden:

 

                    Leiden /sturen

De leider geeft specifieke instructies en houdt nauwgezet toezicht op de taakvervulling. (Sturend gedrag houdt dus in dat de leider de medewerker vertelt waar, wanneer en hoe iets moet gebeuren; dat hij nauwkeurig de rol van de medewerker bepaalt, nauw toezicht houdt op de prestaties en dat hij prioriteiten aangeeft, tijdslimieten stelt en de voortgang bewaakt).

                    Bijsturen

Oorspronkelijk werd dit ook wel coachen genoemd. (Zie figuur 2).

De leider gaat door met sturen en nauwgezet toezicht houden op de taakvervulling, maar licht ook zijn besluiten toe, vraagt om suggesties en moedigt de voortgang aan. Als de medewerker zich (nog) niet tegen de eisen van een goede taakvervulling opgewassen voelt probeert de leidinggevende hem een gevoel van vertrouwen te geven.

                    Steunen

De leider ondersteunt de uitvoering, vraagt de medewerker om initiatief en dient als klankbord. Hij moedigt eigen probleemoplossing en besluitvorming aan.

                    Delegeren

De leider draagt de verantwoordelijkheid voor de uitvoerig en probleemoplossing over aan zijn medewerker(s). Hij geeft zijn medewerker(s) de mogelijkheid om binnen de grenzen van de opdracht zelf beslissingen te nemen.

Volgens deze visie moet een  goede leider een leiderschapsstijl gebruiken afhankelijk van het ontwikkelingsniveau van de betreffende medewerker per taak of doel en de overige situationele factoren. Het ontwikkelingsniveau van de medewerker omvat kennis en vaardigheid (competentie) maar ook de motivatie en het zelfvertrouwen (betrokkenheid). Het ontwikkelingsniveau van de medewerker is afhankelijk van de taak die moet worden uitgevoerd. Naarmate het ontwikkelingsniveau verandert, moet de leiderschapsstijl daaraan worden aangepast.

2.3.2  Rol theorieën van Mintzberg en Quinn

Mintzberg (1975) maakt in zijn onderzoek naar de werkzaamheden van managers een onderscheid naar verschillende taken of rollen die managers moeten vervullen. Zo moeten zij bijvoorbeeld hun eigen afdeling vertegenwoordigen tijdens de management team vergadering, zorgen dat iedereen op de hoogte is van de besluiten die in de vergadering zijn genomen  en  er voor zorgen dat de afspraken ook worden nagekomen. Hij komt tot 10 rollen die alleen de nodige aandacht vereisen.

Tabel 3  De rollen van de manager naar Mintzberg

Interpersoonlijke rol

1.       Leidinggevende rol

2.       Richtinggevende rol

3.       Verbindende rol

Informatieve rol

4.       Zorgdragen van  informatie

5.       Mentor rol

6.       Vertegenwoordigende  rol

Besluitvormende rol 

7.       Ondernemende rol

8.       Conflictoplosser rol

9.       Werk verdelende rol

10.   Onderhandelende rol

Uit het onderzoek van Mintzerg blijkt dat veel leidinggevenden niet aan een juiste balans tussen deze rollen toekomen met alle gevolgen van dien.

 

De denkmodellen en rollen van Robert Quinn

Robert Quinn komt met een andere benadering waarin succesvol leiderschap een juiste balans moet vinden tussen tegengestelde waarden (competing values). Bijvoorbeeld het realiseren van concrete resultaten versus het oog hebben voor de motivatie van de medewerkers. Een ander voorbeeld hiervan is het verbeteren van de efficiëntie versus marktontwikkeling op de voet blijven volgen of grootschalige veranderingen doorvoeren versus klanten behouden.

Om goed te kunnen sturen op waarden moet je inzicht hebben in de wisselwerking tussen organisatie en omgeving. Waar moet de leidinggevende in welke omstandigheden de meeste nadruk leggen ? Hoe kan hij op de beste manier de informatie overbrengen aan z’n medewerkers? Welke zaken zijn belangrijk en welke dingen zijn minder belangrijk ? Hoe kan de leidinggevende er voor zorgen dat de medewerkers dingen doen die echt belangrijk zijn voor de organisatie ?

Volgens Quinn bepalen deze overtuigingen en standpunten in hoge mate hoe effectief we kunnen zijn als leidinggevende. Onze denkmodellen over management helpen ons aan de ene kant om bepaalde mogelijkheden en kansen te zien, maar kunnen onze blik in andere gevallen ook weer belemmeren. Het is volgens Quinn dan ook van belang om te onderkennen dat er meerdere goede denkmodellen zijn. Meerdere goede manieren om naar de ‘management werkelijkheid’ te kijken.

 

Quinn onderscheidt:

a)      Het rationeel doel model.

b)      Het intern proces model.

c)      Het human relations model.

d)     Het open systeem model.

a) Het  rationeel doel model.
Centrale gedachte daarbij: ondernemen draait om productiviteit en winst. En deze doelen bereik je door een duidelijke richting aan te geven en te sturen op het gedrag van medewerkers.

Bij het rationeel doel model horen twee typische managementrollen: die van producent en bestuurder.

§         De producent is taakgericht, zeer betrokken en zorgt ervoor dat ieder doel wordt gehaald. Koste wat het kost.

§         De bestuurder heeft een visie, plannen en doelen. Hij of zij maakt de verwachtingen duidelijk, geef instructies, organiseert en delegeert.

b) Het intern proces model.

Hierbij draait het vooral om stabiliteit en continuïteit in organisaties en staat de opvatting centraal dat je dit bereikt met behulp van routines en procedures.

Regels, structuren en tradities bepalen de gang van zaken in een bedrijf dat volgens dit model is ingericht. Bij het intern proces-model horen opnieuw twee management-rollen: die van de coördinator en de controleur.

§         De coördinator is een goede projectmanager, kan heldere taken ontwerpen en houdt verschillende zaken tegelijk in het oog. Hij houdt het bedrijf bij elkaar door zich te richten op de structuur van de onderneming en de verschillende processtromen daarbinnen.

§         De controleur weet wat er gaande is in een bedrijf. Hij houdt zijn eigen functioneren voortdurend in de gaten, dat van de groep en van de organisatie als geheel. Een controleur inspecteert, analyseert en let op de details.

b)      Het human relations model.

Oftewel het menselijke relaties-model. In dit denkmodel draait het om de motivatie en inzet van de medewerkers in een bedrijf. En deze factoren kunnen worden gestimuleerd door de betrokkenheid van mensen bij de organisatie te vergroten. Bijvoorbeeld door overleg en consensusvorming rond veranderprocessen. Ook bij het human relations-model horen volgens Quinn twee managementrollen. Die van de stimulator en die van de mentor.

§         De stimulator moedigt onderling vertrouwen aan, stimuleert samenwerking, bouwt een team, laat medewerkers meepraten en lost conflicten tussen mensen op.

§         De mentor richt zich op de ontwikkeling van zijn medewerkers. Hij of zij heeft mensenkennis, communiceert goed, is benaderbaar en eerlijk. Het gaat erom het beste in mensen naar boven te halen.

Het human relations-model is een denkmodel dat, net als de andere, zichtbaar is in veel verschillende organisaties.

Ad 4 Het open systeem model.

In dit denkmodel gaat het erom dat een bedrijf moet concurreren in een onvoorspelbare, complexe omgeving. Wil men de noodzakelijke middelen en mensen van buiten de organisatie verkrijgen, dan moet de nadruk worden gelegd op zaken als continue aanpassing aan de markt, op creativiteit en innovatie.

Quinn onderscheidt ook bij het open systeem model twee management-rollen. Die van innovator en van bemiddelaar.

§         De innovator richt zich op het mogelijk maken van aanpassingen en veranderingen. Hij herkent de veranderingen in de omgeving, belangrijke trends en kan goed omgaan met onzekerheid en risico's. Innovators zijn mensen met visie die behoeften constateren in de markt en een manier verzinnen om deze te vervullen.

§         De bemiddelaar houdt zich vooral bezig met de relatie tussen een organisatie en de buitenwereld. Imago, presentatie en reputatie zijn belangrijke elementen. De bemiddelaar kan onderhandelen en weet hoe hij iets moet verkopen.

Het gebruik van deze modellen van Quinn in de praktijk

Zoals gezegd wil Quinn ons niet overtuigen van het gelijk van het ene denkmodel en het ongelijk van het andere. Het gaat het erom dat we onderkennen dat er meerdere modellen zijn en dat deze onderling gecombineerd kunnen worden. Quinn maakt dit duidelijk door de denkmodellen te vergelijken aan de hand van een tweetal eenvoudige dimensies.

De eerste dimensie is: van flexibiliteit naar beheersing. De tweede dimensie is: van intern naar extern gericht. Volgens Quin gaat het

§         bij het rationeel doel model om beheersing, gecombineerd met een externe gerichtheid.

§         bij het intern proces model gaat het om beheersing en interne gerichtheid.

§         bij het human relations model gaat het om flexibiliteit en interne gerichtheid.

§         en bij het open systeem model draait om flexibiliteit en externe gerichtheid.

Juist omdat ook de werkelijkheid in organisaties vaak bestaat uit paradoxen, snelle veranderingen en complexe verbanden, is het van belang om als manager te kunnen schakelen tussen deze vier, vaak tegenstrijdige denkmodellen. Volgens Quinn moeten we deze vier modellen, deze vier manieren van denken over management, leren zien als onderdelen van een groter begrip, namelijk van het begrip organisatie-effectiviteit.

Deze vier denkmodellen vertegenwoordigen de verborgen waarden die we hanteren in organisaties, in management, in projecten. En maar al te vaak, stelt Quinn, zitten we vast in één denkmodel. Ook u en ik hebben ongetwijfeld een favoriete benadering, waar we in de praktijk, onwillekeurig, vaak gebruik van maken. Maar als we alléén ons eigen model zien en niet de keuzemogelijkheden die de andere denkmodellen aanreiken, dan verminderen we daarmee onze potentiële effectiviteit als manager, zo stelt Quinn. En daardoor wordt onze organisatie minder effectief.

2.4. Leiderschapsvisies onder de noemer van Coachend leiderschap 

Coachend leiderschap is een typisch begrip wat echt van de grond is gekomen eind jaren negentig en begin van deze eeuw. Er is inmiddels veel geschreven over dit fenomeen en het ziet er naar uit dat deze stroom voorlopig niet opdroogt. Nieuw aan coachend leiderschap is dat het past in deze tijd waarin de beroepen steeds vaker en steeds meer zogenaamde “K.I.D.-beroepen” zijn. Beroepen met Kennis Intensieve Dienstverlening. Beroepen worden immers steeds kennisintensiever en op alle niveaus. Ook bij Hoogovens werken nu procesoperators in plaats van arbeiders of sjouwers. Met de toenemende “kennisdichtheid van de taak” ontstaat er nu een fenomeen dat zich steeds meer aandient: de medewerker weet er meer van dan de baas. Hiermee is de machtsbalans definitief veranderd en gelijkwaardig geworden. Hier komt bij dat de processen in bedrijven steeds meer onder de loep worden gehouden en de manager heeft als taak om zich híer op te richten. De inhoud is voor de medewerkers en de vorm is voor de leidinggevende. Niet vertellen hoe het moet maar actief luisteren naar wat er speelt. De richting wijzen door delen waar we heen gaan i.p.v. vertellen. Kortom de moderne medewerker heeft behoefte aan een nieuwe leiderschapsstijl. Deze noemen we coaching omdat hij gebaseerd is op de kennisintensiteit van het werk van de medewerker. Coachen is de leiderschapsstijl voor de horizontale organisatie. Evenwaardigheid, zelfsturing en commitment zijn hierbij de centrale begrippen. De leider / coach is gericht op de ontwikkeling van groepen en individuen. Coachen is eigenlijk “ sturen zonder de baas te spelen”. Onder deze stroming vallen onder meer Willem Verhoeven en Robert Hargrove.

Als voorbeeld van deze stroming kiezen we voor het model van Carl Larsen (2005). Larsen  onderscheidt  vijf leiderschapsrollen: strateeg, ondernemer, manager, expert en begeleider. Maar welk model men ook de voorkeur geeft, het punt is dat de rol van begeleider / coach een aparte leiderschapsrol is.

Text Box: Leiderschapsrollen

 

 

 

 

Strateeg

 

 

Ondernemer

 

Manager

 

Expert

 

Begeleider / Coach

Figuur 3 Leiderschapsrollen naar Larsen

Als strateeg is de leider gericht op de toekomst, als ondernemer op de markt, als manager op de interne organisatie en als expert op het vak. In al deze rollen doet de leider inhoudelijke uitspraken. Hij geeft zelf antwoorden op vragen. Dat ligt anders in de rol van begeleider.

Als begeleider / coach heeft de leider vooral oog voor het ontwikkelings- en leerpotentieel van zijn mensen. Hij realiseert zich dat een organisatie slechts zo goed is als de mensen die erin werken. Organisatietaken zijn inmiddels zo complex geworden en veranderen in zo’n hoog tempo dat leiders niet meer zelf de antwoorden kunnen geven op alle vragen.

 

De leider heeft eigen doelstellingen, opvattingen en ideeën, die hij ook aan zijn medewerkers kenbaar maakt. Sterker nog, de meeste leiders zien het als hun eerste taak zorg te dragen dat hun medewerkers hun visie, missie en doelstellingen kennen en onderschrijven. Een leider wordt dan ook vaak het best getypeerd als iemand die anderen uitlegt, vertelt of voorleeft wat zij moeten doen of laten.

In de rol van begeleider / coach vertoont de leider echter een totaal ander gedrag. In deze rol heeft hij geen eigen agenda, geen eigen doelstellingen of opvattingen. Als begeleider heeft hij maar één wens: “hoe kan ik zo goed mogelijk de ander (de medewerker) helpen bij het vinden van een oplossing die voor hem of haar werkt”. Hij doet dat niet door zijn mening of advies te geven, maar is betrokken bij de medewerker door actief te luisteren, door vragen te stellen die uitnodigen tot nadenken en zelfreflectie en door feedback te geven die leidt tot een verhoogd zelfbewustzijn. Zijn hele houding getuigt van interesse voor het verhaal van de ander. Hij denkt mee over de oplossingen die de medewerker zelf genereert, daarmee aangevend dat de ander centraal staat in dit begeleidingsproces en niet de leider zelf.

 

Het zal voor de leider niet altijd gemakkelijk zijn deze rol van belangeloze begeleider te vervullen. Soms kunnen de belangen die hij vanuit zijn andere rollen heeft zodanig zijn dat men zich serieus moet afvragen of de leider echt belangeloos kan begeleiden. Wanneer een medewerker overweegt zijn loopbaan buiten de organisatie voort te zetten, zou het wel veel gevraagd zijn om hier belangeloos op te reflecteren. Ook als het probleem van de medewerker juist zijn baas betreft, kan beter iemand anders de rol van begeleider op zich nemen. In begeleidingssituaties is het daarom een goed uitgangspunt dat de medewerker zelf bepaalt wie het meest in aanmerking komt om de rol van begeleider op zich te nemen.

 

Als deze onbaatzuchtige rol van begeleider goed wordt vervuld, leidt dat vaak tot verbazingwekkende resultaten. Medewerkers voelen zich uitgedaagd en gesteund hun eigen doelen te realiseren. Ze zijn van binnenuit gemotiveerd hun veelal ambitieuze doelstellingen te realiseren. De resultaten reiken dan ook vaak veel verder dan wat bazen ooit zelf aan hun medewerkers durven vragen. Medewerkers nemen nu zelf de verantwoordelijkheid om hun plannen en ideeën uit te proberen en te verwezenlijken. Ze voelen zich ‘empowered’.

 

 

2.4.1.  De interactie tussen leiders en medewerkers

Bovengenoemde resultaten zijn natuurlijk de droom van menig leider. Waarom komt deze begeleiding van medewerkers dan maar moeizaam van de grond, terwijl de resultaten vaak spectaculair zijn? Vier elementen in de interactie tussen leider en medewerker kunnen hier debet aan zijn.

·a)           Leiders hebben veelal een verkeerde opvatting van begeleiding. Zij zien begeleiding als advies geven en niet als een vorm van actief luisteren. (luisteren met een open en vragende houding)  De meeste leiders hebben moeite met het idee dat in leersituaties niet de leider maar de medewerker centraal hoort te staan. Zodra hij gehoord heeft waar de medewerker mee zit, komt hij met zijn goedbedoeld advies. Hij realiseert zich daarbij niet dat dit de medewerker maar zelden echt helpt. Integendeel, de medewerker wordt hierdoor afhankelijk van de leider en verliest zijn initiatief. Hij ziet de mogelijkheid zijn eigen oplossing op het spoor te komen gedwarsboomd.

 

·b)           Leiders vinden het veel gemakkelijker en vaak ook juister als medewerkers doen wat hun verteld wordt. Dat voorkomt afwijkingen van de ‘partijlijn’, maar verhindert uiteraard de exploratie van de creativiteit en denkkracht van de individuele medewerker. De begeleiding van medewerkers door middel van actief luisteren vraagt van leiders dat ze openstaan voor werkwijzen waar ze zelf niet voor gekozen zouden hebben. En een dergelijke tolerantie is niet iedereen gegeven.

 

·c)Medewerkers vinden het vaak ook wel prettig als ze alleen maar hoeven te doen wat hun verteld wordt. Men hoeft dan geen eigen verantwoordelijkheid te dragen. Als de dingen mislopen, kan meteen verwezen worden naar degene die de opdracht heeft gegeven. En dat is wel zo gemakkelijk.

 

·d)           Soms is het helpen van medewerkers hun eigen oplossing te vinden ook inderdaad niet de juiste aanpak. Dat geldt vooral als medewerkers nog onvoldoende vertrouwd zijn met hun taken en met de eisen die aan hun werk gesteld worden. Instructie en advies zijn in deze gevallen meer van toepassing. Ook als medewerkers weinig gemotiveerd zijn hun eigen leerproces op te pakken heeft begeleiding weinig zin. Maar men moet altijd alert zijn op de mogelijkheid dat hier de wens (om te instrueren) vader van de gedachte is.

 

 

Als er geen sprake is van bovengenoemde interactie en als de medewerker de behoefte heeft en gemotiveerd is zichzelf te ontwikkelen en/of om zijn werk beter te verrichten, ontstaat de begeleidingssituatie. De medewerker dient namelijk bereid te zijn zichzelf ter discussie te stellen en zijn eigen gedrag te onderzoeken en daaruit te leren. Heeft de medewerker die behoefte niet, dan is begeleiding niet mogelijk. De leider zal dan vanuit zijn andere rollen de medewerker vertellen en uitleggen welke bijdrage nodig is en controleren of de medewerker inderdaad uitvoert wat van hem verwacht wordt.

 

 

3.   Conclusies
Visies over leiderschap hebben zich in de loop der jaren ontwikkeld. In dit hoofdstuk hebben we getracht deze te ordenen in hoofdstromen.  De hedendaagse visies over leiderschap kunnen het accent weliswaar op een bepaald element leggen maar veelal omarmen zij ook de elementen van de voorgaande visies. De situatie van de organisatie kan bepalend zijn voor de wijze van leiding geven. Als leider heb je verschillende taken te vervullen en elke taak vraagt om een verschillende rol.  Hierbij worden verschillende vaardigheden of competenties gevraagd die geleerd kunnen worden. Daarnaast is het belangrijk geworden dat de leider een voorbeeldrol vervult en als persoon karakter toont en mensen kan inspireren.

 

Maar naast de verschillen (en overeenkomsten) tussen de verschillende stromingen vallen de volgende zaken op als we in de context van dit boek terugkijken naar dit hele hoofdstuk over de leidende visies op het gebied van leiderschap.

In de eerste plaats is dat de kwaliteit van producten en dienstverlening, verkoop resultaten en  innovatie gunstig beïnvloed worden door de ontwikkeling van leiderschap binnen de onderneming. Onderzoek laat ook zien dat leidinggevenden die regelmatig actief zijn met persoonlijke ontwikkeling hierdoor een competitief voordeel hebben. Leiderschapsontwikkeling heeft ook grote invloed op de manier waarop medewerkers hun kennis en competenties kunnen benutten en het behoud van talentvolle medewerkers.

In de tweede plaats is visie en leiderschap de sleutelfactor met betrekking tot de enorme energieverspilling die binnen veel organisaties plaats vindt. Te denken valt aan het onbenut laten van “human talent”, gedemotiveerd personeel, bureaucratische processen, risicomijdend gedrag, onbetrokken medewerkers, ontbreken van de juiste competenties, de verkeerde medewerker op de verkeerde plek, weerstand tegen veranderingen en obstructie, ziekteverzuim, een hoog verloop van talentvolle medewerkers en kennisverlies. Leiderschap is hier essentieel. Er is niet voor niets zo verschrikkelijk veel over dit onderwerp geschreven.

In de derde plaats lijkt het wel alsof in de afgelopen decennia een soort paradigma wisseling heeft plaatsgevonden met betrekking tot leiderschap en het kijken naar organisaties. De oude paradigma’s werken niet meer en nieuwe dienen zich aan. Grofweg gaat de verschuiving van planning & control naar coachend leiderschap, met de kenmerken die hierboven beschreven zijn. Deze verschuiving is nodig ten einde de organisatie vitaal en innovatief te houden. Zijn de leiders in staat het nieuwe paradigma “voor te leven”, daarmee slimmer en creatiever te werken en energieblokkades op te heffen?

Hieronder volgt in onderstaande tabel een samenvatting van de oude en nieuwe paradigma met betrekking tot leiderschap en bij behorende kenmerken van de organisatie.

 

Oud Paradigma

Nieuw Paradigma

Controleren

Inspireren

Dirigeren & commando

Coachen en stimuleren

Beheersen op details

Eigen verantwoordelijkheid binnen kaders

Regimebeheerders

Innovatoren, zelforganisatie

Formaliseren

Informeel netwerken

Ongeïnspireerd

Leuk enthousiasmerend klimaat

Efficiency en kostenreductie

Creatie en innovatie

Er moet hard aan getrokken worden

Energie en flow in organisatie

Druk, druk druk,

Rust en tijd voor reflecteren

Reactief: achter de feiten aan rennen

Pro-actief: voorkomen

Extrinsieke motivatie

Intrinsieke motivatie

Gesloten deuren: Kennis is macht

Open toegang tot kennis: Creatie is macht

Platgetreden paden: zo doen wij het altijd hier?

Nieuwe wegen verkennen: kan het beter?

Sterke top down communicatie: his masters voice

Vrije communicatie: bottom up, top down, lateraal.

Verandermoeheid door doorlopende veranderprogramma’s: iedere keer weer onrust

Doorlopend leren en organisch veranderen voorkomt vaak ingrijpende veranderingsprocessen.

Human resources als instrument

Aansluiten op persoonlijke drijfveren

Afdelingsgericht

Multi-functionele, cross departementale project teams

U vraagt, wij draaien

Intern ondernemerschap, "intrapreneurship"

Eilandjes, ivoren toren, muren

Wij zijn de organisatie samen

Bureaucratische processen, traagheid, regeltjes

Flexibel en slagvaardig, vrijheid in gebondenheid

Zwakke schakels in organisatieprocessen

Sterke ketting door integrale aanpak

Structuur, doel en regels domineren.

Cultuur, missie, kernwaarden en kaders domineren

Veel woorden, weinig wol

Walk the talk

Managers met angst en risicomijdend gedrag

Faciliterende leiders met moed en lef

Hiërarchie

Netwerken

Tabel 4 Oude en nieuwe paradigma elementen van leiderschap

Performance verbetering wil iedereen. Het gaat echter om de vraag op welke manier we dit kunnen bereiken. Door te veel te investeren volgens het oude paradigma zoals bijvoorbeeld door “harder werken” zullen wij nooit substantiële en duurzame performance verbeteringen kunnen realiseren. Deze aanpak en manier van denken is gebaseerd op totaal achterhaalde managementbeelden die dateren uit de industriële revolutie! Managers die vaak klagen over hun medewerkers hanteren zelf nog vaak management denkbeelden uit de tijd van de stoommachine. Kortweg: ze zijn vaak zelf de oorzaak van hun klacht. Leiderschapontwikkeling is daarom zo belangrijk, niet alleen voor de leiders aan de top maar door de gehele organisatie!

Literatuur

Jim Collins, Good to Great, (2001). Random House Business Books

Robert Hargrove, (2000). Meesterlijk Coachen. Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds

Hans van der Heijden  (1999). Competentie management  Kluwer NVP

Wim Heine (2005).  Leiding geven aan leren   Leren stimuleren   Schuiling G.J. Heine W.(red), van Gorkum

Henry Mintzberg, "The Manager's Job: Folklore and Fact," Harvard Business Review, 53, 1975, 49-71.

Henry Mintzberg. Mintzberg over management. 2004

Manfred Kets de Vries. leiderschap ontraadseld. 2004

Manfred Kets de Vries. Organisaties op de divan. 1993

Robert Quinn. Persoonlijk meesterschap in verandering. 2003

Robert Quinn. Handboek managementvaardigheden. 2003

Han van der Pool. (2004) Trends in leadership development. Tijdschrift voor Management Development  EMD

Hans Vollenhoven en Han van der Pool. (2004)  De intelligente onderneming. Tijdschrift voor Management Development EMD

Harry Starren (1998) “Grootmeesters  in management` Teleac/NOT

Ben Tiggelaar De ideeën van Robert Quinn over Leiderschap  Management Classics Management CD.nl

Han Waggenaar en Koos Hafkamp  (2000) Leren Jong leren  GITP opleidingen

Willem Verhoeven (1993).  De manager als coach

Wessel Ganzevoort (2003). Spiritualiteit in leiderschap Valkhof Pers

Stephen Covey (1999) De zeven eigenschappen van effectief leiderschap, Business Contact  Amsterdam

Stephen Covey (2005) De 8ste eigenschap: van effectiviteit naar inspiratie, Business Contact Amsterdam

 

 

Disclaimer