Bedrijven stellen hun bedrijfsvoering in toenemende mate af op het besef dat
ze niet alleen hun eigen producten verkopen maar ook de diensten van de gehele
toeleverende keten c.q. supply chain. Onder het motto ´ketenomkering´ staan ze
voor de uitdaging door effectief ketenmanagement gezamenlijk meer omzet bij meer
klanten te realiseren door een hogere klantwaarde te bieden aan de eindgebruiker
en/of de integrale leveringskosten in de keten te verminderen.
Het onderwerp ketenmanagement wordt vaker benoemd dan begrepen en vraagt als
zodanig om een fundamentele aanpak. Het moet -evenals gerelateerde theorieën
rond netwerken en virtuele organisaties- niet worden behandeld als nieuwe en
tijdelijke management-hype, maar als structurele bouwsteen op een bestaand en
solide bedrijfskundig fundament. De auteurs willen met dit artikel een bijdrage
leveren aan de ontwikkeling van het kennisgebied ‘strategisch ketenmanagement’.
Hiertoe wordt ketenmanagement in drie paragrafen behandeld aan de hand van drie
centrale vragen:
Wat is strategisch ketenmanagement?
Wat zijn de doelen en barrières voor strategisch ketenmanagement?
Hoe kan ketenmanagement op strategisch en operationeel niveau worden
geïmplementeerd?
Wat is strategisch ketenmanagement?
Wat is een keten?
Michael Porter heeft een vooraanstaande rol gespeelde in het initiëren van
het ketendenken. Om verwarring te voorkomen is het wel goed er op te wijzen dat
zijn begrippenkader verschilt van dat van het merendeel van zijn navolgers. Porter gebruikte de term waardeketen (value chain) om een individueel bedrijf te
beschrijven. Hij hanteerde het begrip waardesysteem (value system) voor het
beschrijven van een aantal bedrijven die via een toeleveringsrelatie aan elkaar
zijn verbonden. In navolging van de meest gangbare definities hanteren we in dit
artikel de term 'keten' waar Porter het had over een waardesysteem. Evenals Porter hanteren we hiervoor het perspectief van de eindgebruiker. De keten
bestaat dus uit alle bedrijven die direct en indirect door dezelfde groep
eindgebruikers worden betaald voor hun diensten en/of producten.
In de traditionele en uitgeklede vorm wordt een keten weergegeven met
distributeurs, producenten, componentleveranciers en grondstofleveranciers.
Hiervoor wordt gewerkt met het ketenmodel in figuur 1.

Dit model ontleent zijn waarde aan de toegankelijkheid in de communicatie.
Het leidt ook tot vertekening omdat het één op één relaties suggereert die
in werkelijkheid niet bestaan. In de praktijk bestaat de keten op het hoogste
aggregatieniveau uit een netwerk van honderden tot zelfs duizenden grote en
kleine bedrijven uit verschillende sectoren en landen. Naast de leveranciers van
goederen die een fysiek onderdeel uitmaken van het eindproduct bevat de keten
eveneens de dienstenleveranciers en adviseurs op gebieden als logistiek, informatie-technologie en marketing. Daarnaast vervullen bedrijven vaak meerdere
functies in de keten waardoor ze afhankelijk van de transactie leverancier,
afnemer of concurrent kunnen zijn. Wanneer bedrijven ‘hun’ keten of
netwerkpartners weergeven doen ze dat veelal vanuit het eigen perspectief: ze
schetsen zichzelf en een aantal belangrijke leveranciers en klanten.
Leveranciers van leveranciers en klanten van klanten worden niet automatisch
meegenomen. Bedrijven die in dezelfde keten opereren tekenen deze dan ook veelal
sterk verschillend. Dit vergemakkelijkt de communicatie niet. Om van het
traditionele geabstraheerde ketenmodel en diffuse netwerktekeningen te komen tot
een gezamenlijk inzicht in verbeterbare ketenprocessen, is het zinvol het
gemeenschappelijk uitgangspunt te kiezen van de eindafnemer aan het eind van de
keten. Dit levert een criterium aan de hand waarvan de ogenschijnlijk diffuse
samenwerkingsverbanden kunnen worden geordend en geëvalueerd. Het tekenen van
de keten kan worden gedaan door vanuit een concrete transactie met een
eindafnemer terug te werken en alle activiteiten en bijbehorende organisaties te
tekenen die hier een bijdrage aan hebben geleverd.
Opkomst en ontwikkeling van ketenmanagement
Een fors aantal topmanagers heeft ketenmanagement uitgeroepen tot een
prominent agendapunt voor hun bedrijf. Dit is direct gerelateerd aan de
historische veranderingen in de internationale concurrentie sinds 1970. Deze
context heeft zowel de opkomst als de ontwikkeling van ketenmanagement fors
beïnvloed. Daarom is het zinvol per decennium een gestileerde beschrijving te
geven van het dominante paradigma waarmee Westerse bedrijven de keten hebben
gezien en waarmee zij hun eigen gedrag hebben vormgegeven.
Dominant paradigma 1970-1980: Ketens als stabiele pijplijn voor
massaproductie
Traditioneel wordt de keten gezien als 'downstream' doorgeefluik waarbij
relatief vaste spelers een bewerking uitvoeren in het traject van grondstof tot
eindgebruiker. De groei van de omzet in de keten wordt hierbij eerder gezien als aanbod- dan als vraagprobleem: niet klanten maar grondstoffen en producten zijn
het schaarse goed. Macro-economische ontwikkelingen zoals de oliecrisis
bevestigden dit denken. Gezien de relatieve stabiliteit van spelers, processen
en producten was (en leek) het niet direct noodzakelijk een gedegen inzicht te
hebben in de wensen en problemen voorbij de directe leveranciers of klanten.
Dominant paradigma 1980-1990: Ketens als kosteneffectieve pijplijn voor
kernmarkten
Gestimuleerd door de economische crisis en de opkomst van met name Japanse
(prijs)concurrentie, groeit de aandacht voor kostenreductie -en onder invloed
van kwaliteitszorg- integrale kostenreductie. Bedrijven herstructureren en
reorganiseren zichzelf. Ze concentreren zich op hun kernmarkten en
-activiteiten, en stoten die delen af waarin ze niet mee willen/kunnen komen met
de markteisen. Nagestreefde kostenreducties worden als eisen doorgegeven aan
leveranciers, die deze op hun beurt weer doorgeven aan hun leveranciers.
Toepassingen van ketenmanagement ontstaan uit de mogelijkheden de integrale
kosten te reduceren door wijzigingen aan te brengen in productie en logistiek
van leveranciers van leveranciers.
Dominant paradigma 1990-2000: Ketens als geschakelde competenties voor
marktsegmenten
Naast defensieve kostenreductie ontstaat er vanaf het eind van de jaren
tachtig weer in toenemende mate aandacht voor offensieve omzetvergroting.
Bedrijven kijken in toenemende mate naar nieuwe producten waarin de eigen
kerncompetenties effectief kunnen worden toegepast voor een specifiek (al of
niet nieuw) marktsegment. Ketenmanagement ontwikkelt zich verder tot instrument
om competenties van verschillende bedrijven in de keten te inventariseren,
verdelen, ontwikkelen en koppelen. Gestimuleerd door de opkomst van
kennismanagement heeft de vaak wat abstracte synergie gebaseerd op
kerncompetenties, zich verder ontwikkeld tot implementeerbare en operationele
samenwerkingsprocessen.
Dominant paradigma 2000-2010: Ketens als zelforganiserend systeem onder regie
van klanten?
Behalve aan kosteneffectiviteit en kennismanagement wordt er de laatste jaren
steeds meer aandacht besteed aan ketenomkering. Voorbode hiervan zijn de
machtsverschuivingen in de keten. Distributieorganisaties die klanten
organiseren zoals supermarkten hebben macht gewonnen ten opzichte van product-organisaties die verder van de klant afstaan zoals A-merk fabrikanten.
In de huidige praktijk gaat het bij ´ketenomkering´ veelal om het
optimaliseren van klantwaarde door semi-tailor made productie met een zo laat
mogelijk koppelpunt: de optionele componenten in de keten worden dicht bij de
klant samengevoegd op basis van de specifieke voorkeur van de klant. Idealiter
functioneert de keten als een flexibel netwerk dat maatwerk produceert aan de
hand van de specificaties en wensen van de geïndividualiseerde eindgebruiker. Long-distance telefoonverkeer vormt hiervoor een goede metafoor: de gebruiker
weet niet over welke verbindingen van welke operators het gesprek loopt, en het
netwerk zoekt automatisch de weg met de minste weerstand. Met internet lijken de
mogelijkheden om consumenten zelf de regie over de keten te geven te groeien.
Naar anologie van de machtsverschuiving naar de partijen die klanten organiseren
ontstaan ‘communities’ die zelfs niet verbonden zijn met een specifieke
productgroep, en die op basis van vertrouwen en een clubgevoel onder klanten de
keten organiseren naar de specificaties van de individuele eindgebruiker.
Parallel aan bovenstaande verschuivende paradigma’s zijn de processen
waarop bedrijven ketenmanagement toepassen, sinds halverwege jaren tachtig sterk
verbreed. In het begin werd ketenmanagement vooral toegepast op stroomlijning
van logistiek en distributie over bedrijfsgrenzen. Afstemming van
goederenstromen bleek echter ook te vragen om afstemming over informatie- en
financiële stromen. De kennis en ervaring die hiermee werd opgebouwd werd in
toenemende mate ook toegepast op andere bedrijfsprocessen. Ketenmanagement is
zich hierdoor steeds meer gaan richten op processen waarbij meerdere functionele
disciplines betrokken zijn.
Voortbouwend op het werk van Anderson & Narus en Melis kan
ketenmanagement worden toegepast op de twee overkoepelende primaire processen in
bedrijven: de voortbrengingsprocessen gericht op het leveren van klantwaarde en
de business development- of creatieprocessen gericht op het creëren van
klantwaarde. De voortbrengingsprocessen bevatten alle activiteiten die
noodzakelijk zijn voor het verkopen en leveren van producten: inkoop,
distributie, productie, verkoop, et cetera. De business development processen
bevatten alle activiteiten gericht op het ontwikkelen van nieuwe producten en
markten: marketing, research & development, engineering, et cetera.
Wat maakt ketenmanagement 'uniek'?
Ketenmanagement kan kernachtig als volgt worden beschreven:
Ketenmanagement richt zich op het operationeel en strategisch management van
bedrijfsprocessen die twee of meer bedrijfsgrenzen passeren om middels een
hogere klantwaarde voor de eindgebruiker te komen tot meer omzet bij meer
klanten en/of lagere integrale voortbrengingskosten in de keten.
Ketenmanagement heeft zich ontwikkeld tot een 'body of knowledge' dat op drie
punten verder gaat dan de reguliere theorieën over samenwerking tussen
bedrijven (die veelal onterecht wel als ketenmanagement worden aangeduid):
- Ketenmanagement gaat zoals beschreven niet over samenwerking van twee
bedrijven, maar tussen minimaal drie bedrijven: twee bedrijfsinterfaces of
meer. Er wordt bewust gekeken voorbij het niveau van de directe leverancier
of klant, naar de leverancier van de leverancier en/of de klant van de
klant. Omdat dit niet de partijen zijn waar managers automatisch mee om de
tafel zitten doet effectief ketenmanagement een zwaarder beroep op
inlevingsvermogen en conceptueel denken.
- Ketenmanagement richt zich niet op statische samenwerkingsstructuren, maar
op continu (veranderende) bedrijfsprocessen waarin met verschillende
partners wordt samengewerkt. Samenwerking wordt niet gezien als -veelal
juridisch vastgelegde- uitzondering maar als regel. Het taalgebruik rond
ketenmanagement kenmerkt zich dan ook meer door werkwoorden zoals
ontwikkelen, samenwerken, integreren en standaardiseren dan door
zelfstandige naamwoorden zoals joint ventures, samenwerkingsverbanden,
allianties en partnerships.
- Ketenmanagement richt zich niet impliciet op strategisch óf operationeel
niveau, maar op de integratie en wederzijdse versterking. Effectief
ketenmanagement vraagt op strategisch niveau om de creatie van wederzijds
vertrouwen in de keten en het doorbreken van klassieke stuurmechanismen
binnen bedrijven. Deze strategische doorbraken kunnen echter alleen worden
verankerd door zichtbare financiële resultaten en positieve leerervaringen
uit operationele activiteiten waarin op project- of pilot-basis wordt
samengewerkt.
De constatering dat ketenmanagement op bovenstaande punten 'uniek' is, wil
niet zeggen dat ketenmanagement een compleet nieuw theoretisch gebied is.
Ketenmanagement is een applicatiegericht kennisgebied dat er naar streeft
relevante bestaande kennis te integreren om klantwaarde voor eindgebruikers te
verhogen en/of deze te leveren tegen lagere kosten. Behalve uit gerelateerde
nieuwe management topics wordt vooral geput uit kennisbronnen zoals
procesmanagement, business development, organisatiekunde, informatie-, inkoop-,
en productiemanagement, automatisering, logistiek en marketing.
2. Wat zijn de doelen en barrières voor Strategisch ketenmanagement?
Wat is klantwaarde in ketenperspectief?
Zoals hiervoor is gesteld heeft ketenmanagement tot doel om te komen tot meer
omzet bij meer klanten door hogere klantwaarde voor eindgebruikers, en/of deze
klantwaarde te leveren tegen lagere integrale voortbrengingskosten in de keten.
Een goed inzicht in klantwaarde vanuit ketenperspectief is logischerwijs een
eerste vereiste. Om onduidelijkheid te voorkomen is het goed te benadrukken dat
klantwaarde niet hetzelfde is als toegevoegde waarde. Waar toegevoegde waarde
(dat aan de orde komt in de volgende sub-paragraaf) zich richt op de
bedrijfseconomische waarde van activiteiten voor het bedrijf zelf, gaat het bij
klantwaarde om het perspectief van de klant op de producten en diensten die hij
ontvangt (waarbij de prijs één van de elementen vormt).
Het belang van klantwaarde voor de financiële bedrijfsperformance wordt
behandeld in de theoretische scholen rond concurrentiestrategie en service-marketing.
In de theorie rond concurrentie-strategie wordt door bijvoorbeeld Porter en Kay beargumenteerd dat het leveren van een hogere klantwaarde dan de
concurrentie leidt tot meer klanten. Hierbij kan het gaan om klanten van de
directe concurrent in de keten (waardoor het aantal klanten in de keten niet
toeneemt). Het kan ook gaan om nieuwe klanten die voorheen een substituut
product kochten uit een andere keten of het product zelf produceerden. Bij instantmaaltijden kan het bijvoorbeeld gaan om een soortgelijk product als wat
al in de schappen ligt, waardoor de verkoop grotendeels wordt verplaatst tussen
schakels in de keten. Het kan ook een dusdanig nieuw en smakelijk product
betreffen dat het in sterke mate het aantal klanten in de keten vergroot doordat
het wordt gebruikt als substituut voor afhaalmaaltijden of voor zelf koken met
ingrediënten van de markt. Terwijl het laatste resultaat van klantwaarde in het
belang is van de keten als totaal, is dat bij het vergroten van de omzet ten
koste van directe concurrenten niet het geval. Dit is een belangrijk punt omdat
meer klantwaarde dus niet automatisch leidt tot meer klanten in de keten.
Hierbij moet wel worden genoteerd dat het gaat om gradaties tussen twee
extremen: ook producten die vooral nieuwe klanten aantrekken in de keten leiden
tot verplaatsing van omzet tussen concurrenten, en producten die vooral omzet
weghalen van concurrenten trekken ook nieuwe klanten.
In de theorie rond service marketing wordt klantwaarde gebruikt als
stuurvariabele tot een hogere omzet per klant. Reichheld en Webster hebben
aangetoond dat bedrijven komen tot financieel succes door tevreden en dus loyale
klanten. Zeithaml et al. stellen aansluitend dat klanten tevreden worden gemaakt
door hun verwachtingen waar te maken: verwachte klantwaarde = ervaren
klantwaarde.
In zowel concurrentiestrategie als service-marketing omvat klantwaarde alle
elementen die door de klant verbonden worden met het aanbod. Kemperman & Van
Engelen hebben klantwaarde aansluitend geoperationaliseerd in een klantwaarde-mix als ‘de voordelen, opofferingen en risico’s die subjectief
door een klant worden gerelateerd aan de aanschaf, de ingebruikneming en het
dagelijks gebruik van een product in een interactieve relatie met de leverancier’.
De klantwaarde kan worden verhoogd door meer emotionele en functionele
voordelen, minder financiële- en tijdsopofferingen en/of minder product- en
systeemrisico’s aan het aanbod te verbinden vanuit het gezichtspunt van de
klant. Meer klantwaarde helpt om het aantal klanten in de keten te verhogen
(concurrentiestrategie) en de omzet per klant te vergroten (service marketing).
Daarnaast kunnen de verschillende klantwaarde-elementen elkaar compenseren: een
stijging van bijvoorbeeld de emotionele voordelen van een product kan worden
vertaald in een stijging van de prijs zonder dat de klantwaarde afneemt. Hiermee
is klantwaarde de sleutel tot meer omzet, en/of een hogere marge op de omzet bij
dezelfde trouwe klanten. Dit is per definitie niet alleen een bedrijfsbelang
maar ook een ketenbelang
De constatering dat klantwaarde uiteindelijk wordt gedefinieerd door iedere
individuele klant, neemt niet weg dat het bedrijf zelf kan bepalen welke
verwachte en ervaren klantwaarde ze wil bieden. Hiertoe kunnen de klantwaarde-elementen van een product worden geïnventariseerd en gedefinieerd
met de Klantwaarde Mix. Hierbij is het belangrijk dat de klantwaarde-elementen
niet individueel worden gemaximaliseerd, maar als geheel van wederzijds
afhankelijke elementen die consistent met elkaar moeten zijn in de
positionering. Ter illustratie van de klantwaarde-mix in figuur 2 de klantwaarde
mix opgenomen van ‘Aardappel Anders’ van Unilever.
Aardappel Anders is een voorbeeld van een product met een dusdanige
verrijking van het productassortiment in supermarkten dat de geleverde
klantwaarde zich ook heeft vertaald in meer/trouwere klanten en dus meer omzet
in de keten – logischerwijs geldt dit veel minder voor (semi) kopieën die
sindsdien op de markt zijn gekomen die vooral leiden tot omzetverplaatsing. Ook
de wederzijdse afhankelijkheid tussen klantwaarde-elementen kan goed worden
geïllustreerd op basis van dit voorbeeld. De voordelen van Aardappel Anders
hadden kunnen worden vergroot door het te positioneren als exclusief product
voor koken in franse/belgische stijl. Dit had echter de gepercipieerde
opofferingen (leer- en bereidingstijd) en risico’s (kans op mislukken)
eveneens vergroot. Daarom is er bewust -en terecht- voor gekozen Aardappel
Anders juist te positioneren als gemakkelijk te maken ovensaus die extra
variatie biedt aan de veel bredere doelgroep van de traditionele aardappeleters.
Bekeken vanuit ketenperspectief is het relevant een duidelijk onderscheid te
maken tussen de klant aan het eind van de keten (die uiteindelijk alle
ketenactiviteiten betaalt), en de bedrijven in de keten. Zuiver gezien staan
bedrijven nooit aan het eind van een keten. Elk bedrijf wordt direct of indirect
betaald door de consument.
Een bedrijf kan de klantwaarde van zijn eigen producten vergroten door de
kosten of risico’s te reduceren voor de directe of indirecte industriële
afnemers in de keten, of het mogelijk te maken meer en/of duurdere producten te
verkopen aan de eindafnemer van de keten. Omdat een bedrijf alle ingekochte
producten en diensten meeverkoopt is klantwaarde die wordt geleverd aan een
partij die verderop in de keten zit automatisch klantwaarde voor de
tussenliggende bedrijven. Idealiter denkt een bedrijf pro-actief mee bij het
leveren en creëren van klantwaarde aan alle volgende schakels in de keten.
Hiervoor is het zinvol de klantwaarde mix uit te werken voor alle directe en
indirecte klanten in de keten. Schematisch kan dit worden weergegeven in figuur
3.

Denken vanuit klantwaarde betekent niet alleen zich inleven in het
gezichtspunt van de klanten maar ook vanuit dat perspectief definiëren wat de
keten op welke manier zou moeten leveren. Door vanuit het perspectief van de
klant te definiëren wat het bedrijf in de toekomst gaat leveren heeft deze een
virtuele sturende rol in waardecreatieprocessen. Deze virtuele rol kan zelfs
worden omgezet in een daadwerkelijke sturende rol in productcreatie door een
klant bij de aanschaf zelf zijn/haar product te laten samenstellen uit optionele
productmodules. Een eenvoudig voorbeeld binnen een bedrijf zijn pizza’s
waarbij de klant zelf kiest welke ingrediënten erop komen. Omdat de concrete product-creatie in dit geval is verplaatst naar de dagelijkse waardeleveringsprocessen, verplaatsen de waardecreatieprocessen van de bedrijven
in de keten zich naar een meta-niveau. Business development is hierbij niet meer
gericht op het ontwikkelen van producten maar op het ontwikkelen van de
optionele diensten en onderdelen waaruit het product kán bestaan. Daarnaast
richt business development zich op het ontwikkelen van het voortbrengingsproces
waarin de gekozen productmodules op bestelling kunnen worden geïntegreerd. De
´finale-klant´ is hierdoor niet langer de partij waar ‘alle dozen naartoe
moeten worden geschoven´, maar de regisseur van de keten: ´supply chain
management´ wordt ´demand chain management´.
Dit proces van ketenomkering levert een solide basis voor de ontwikkeling van
een gezamenlijke taal en focus in ketenmanagement. Samengevat heeft het de
volgende implicaties:
- Leveren van waarde:
de voortbrengingsprocessen kunnen worden verbeterd
door naar analogie van Business Process Redesign alle activiteiten te
schrappen die wel kosten toevoegen maar geen klantwaarde voor de consument.
- Creëren van waarde:
een analyse van de klantwaarde mix in
ketenperspectief helpt bij het helder definiëren van nieuwe product-markt
combinaties vanuit het gezichtspunt van de klant en het dusdanig verbeteren
van ketenprocessen dat er via meer klantwaarde meer omzet bij meer klanten
wordt gerealiseerd.
- Geïntegreerd creëren en leveren van waarde:
Bij ketenomkering stelt
de consument idealiter zelf met modulaire ingredienten een (eventueel in deze
constellatie nieuw) product samen dat in zijn leven/bedrijfsvoering de meest
optimale klantwaarde heeft.
Welke barrières moeten worden overkomen voor strategisch ketenmanagement?
Een goed en gedetailleerd inzicht in klantwaarde vanuit ketenperspectief,
biedt geen garantie voor een effectieve creatie en een efficiënte levering
hiervan. Het is ook noodzakelijk om te leren gaan met een aantal fundamentele
barrières tot samenwerking onder wederzijdse afhankelijkheid. Veel activiteiten
van bedrijven lijken rationeel vanuit het oogpunt van het bedrijf, de business
unit of de afdeling, maar leveren geen bijdrage aan het vergroten van de
klantwaarde voor eindafnemers of de integrale kosten in de keten: lokaal streven
naar optimalisatie kan resulteren in een suboptimaal resultaat voor de keten als
totaal. De belangrijkste twee bronnen voor contraproductief gedrag vanuit
ketenperspectief zijn hiërarchische sturing en machtsdenken binnen individuele
organisaties.
De hiërarchische sturing binnen organisaties kan tegenstrijdig zijn
met optimale ketenprocessen tussen organisaties. De oplossing hiervan is ook
moeilijk omdat er geen afspraken kunnen worden afgedwongen via een centraal
orgaan op ketenniveau. Ook wanneer het belang van ketenmanagement en het
creëren van klantwaarde in ketenperspectief op strategisch niveau wordt
onderkend, botst het nog vaak met functionele, administratieve en financiële
stuurmechanismen in het operationele lijnmanagement. Gecombineerd met imperfecte
informatie over de effecten van het eigen gedrag op de integrale kosten in de
keten en de eind-klantwaarde, vormen deze stuurmechanismen de belangrijkste bron
voor keten-imperfecties op operationeel niveau.
Waar tegenstrijdigheid tussen hiërarchische sturing en het ketenbelang te
maken heeft met imperfecte informatie en lokale stuurmechanismen die hieraan
kunnen worden gerelateerd, heeft machtsdenken haar basis in daadwerkelijk
tegengestelde belangen tussen schakels in de keten en concurrenten binnen een
schakel. De omzet en winst vormen de totale koek die in een keten kan worden
verdeeld, en het vergroten hiervan is dus een gedeeld belang. Hoeveel elk
bedrijf uiteindelijk krijgt van deze koek is afhankelijk van de toegevoegde
waarde: het verschil tussen de totale koek en de omvang van de koek als het
betreffend bedrijf er niet zou zijn.
Een bedrijf kan haar toegevoegde waarde vergroten door kosten te reduceren
en/of het aantal nieuwe trouwe klanten te vergroten door meer klantwaarde te
leveren. Een bedrijf kan haar toegevoegde waarde ook vergroten door haar positie
te versterken ten koste van identieke schakels in de keten. Logischerwijs zijn
veel bedrijfsactiviteiten (met name in verdringingsmarkten) vooral gericht op
het verstevigen van de (monopolie)positie ten opzichte van de andere bedrijven
in de keten. Voorbeelden zijn reclame-, lobby- en publiciteitscampagnes die
alleen helpen om marktaandeel te veroveren op de concurrent voor de
desbetreffende activiteit in de keten. Hetzelfde geldt voor
samenwerkingsverbanden en -contracten die volledig zijn gericht op het bedingen
van exclusieve levering of korting ten opzichte van (potentiële) concurrentie.
Omdat deze activiteiten de omzet en winst in de keten niet vergroten maar
uiteindelijk wel moeten worden betaald gaat dit ten koste van de winst in de
keten. Als de kosten wel kunnen worden doorberekend in de eind-prijs, dan was
deze eerder te laag. Is dit niet het geval dan draaien andere keten-partijen
ervoor op.
De bedrijven met de grootste toegevoegde waarde ontwikkelen zich vrijwel
automatisch tot leider in de keten. Deze bevinden zich veelal op een plek in de
keten waar de minste aanbieders zijn of waar zelfs een monopolist is. Zo heeft
het al dan niet onderbrengen van software onder een icoontje in Microsoft
Windows een wezenlijke impact op de totale verkoop (waardoor Microsoft een forse
claim kan leggen op de totale omzet en winst). Zoals Microsoft het keten-leiderschap over nam van IBM, zo verandert ook de toegevoegde waarde van
de ene bedrijfsschakel ten koste van die van anderen. Zoals boven beschreven is
ook in de Fast Moving Consumer Goods de toegevoegde waarde verschoven: van
A-merk fabrikanten naar de supermarkten die klanten organiseren.
De aanwezigheid van een leidende schakel of partij in een keten kan helpen om contra-productieve hiërarchische stuurinstrumenten binnen bedrijven te
doorbreken. Het mogen echter duidelijk zijn dat nieuwe en/of expansieve keten-leiders al snel veel irritatie opwekken en door hun ketenpartners worden
beschuldigd van machtsmisbuik. Deze zwakkere schakels zullen veelal acties
ondernemen om de toegevoegde waarde van de ketenleider (en dus hun eigen
afhankelijkheid) te verminderen. Dit is logisch omdat het zelfs kan voorkomen
dat de ketenleider goede winsten maakt terwijl ketenpartners (net geen) verlies
maken. Mede door tegenstand in de keten zal de toegevoegde waarde van de keten-leider op de lange termijn veelal weer afnemen.
De mogelijkheden tot excessief gebruik van toegevoegde waarde worden beperkt
doordat er onzekerheid bestaat over de duurzaamheid van de eigen machtspositie,
en een slechte reputatie direct en/of in de toekomst leidt tot sabotage-actie
van ketenpartners. Dit neemt niet weg dat toegevoegde waarde een bron van reële
tegenstellingen in de keten vormt. Ondanks het feit dat ketenmanagement kan
helpen het aantal win-win situaties aanzienlijk te vergroten, zullen ‘win-lose’
situaties hierdoor tot op zekere hoogte altijd blijven voorkomen. Het is
belangrijk dit te erkennen als onderdeel van het spel, omdat het anders een bron
van spanning en irritatie tussen partners kan vormen die effectief
ketenmanagement in de weg staat.
Implementatie op strategisch niveau: begrijpen van keten-partners.
Goede ketensamenwerking stelt een aantal eisen aan het denken in de
betrokken bedrijven, te weten:
- Bewustzijn van het gezamenlijk belang om de koek te vergroten c.q. meer
omzet te realiseren bij meer klanten door het leveren van een grotere
klantwaarde voor eindafnemers en/of het verlagen van de integrale
voortbrengingskosten.
- Erkenning van elkaars specifieke expertise en competenties als
noodzakelijk om de koek te creëren en vergroten.
- Bewustzijn van het feit dat de bedrijven tot samenwerking met elkaar
veroordeeld zijn, en in de onderlinge relaties niet kunnen volstaan met
machtsdenken om het eigen deel van de koek te vergroten.
Deze drie eisen kunnen echter niet worden gehanteerd als voorwaarden,
waaraan moet worden voldaan om de samenwerking te starten: ze moeten groeien
in operationele ketenprocessen waarin bedrijven elkaar leren kennen en op
basis van gezamenlijke successen de samenwerking intensiveren.
Een belangrijke bron voor (schijnbare) tegenstellingen tussen hierarchische
stuurinstrumenten en het ketenbelang wordt gevormd door gebrekkig inzicht in elkaars ´business drivers´. Business drivers zijn de dominante criteria die
een bedrijf hanteert om beslissingen te nemen en prestaties te toetsen. Het
zijn belangrijke cultuurdragers die als zodanig ook zijn vastgelegd in
succesverhalen, bedrijfstaal en gewenste -en dus beloonde- managementstijlen.
In de voedingsmiddelenindustrie hebben grondstofleveranciers bijvoorbeeld
sterk te maken met lage marges en kapitaalintensieve productie. Gezien de
noodzaak tot optimale benutting van de capaciteit zijn 'bezettingspercentages'
en 'verkochte duizenden kilo's' belangrijke business drivers. A-merk
fabrikanten hebben een sterke focus op de marketing en verkoop van grote
aantallen relatief goedkope consumptie-producten. Om veel producten af te
zetten bij veel consumenten zijn typische business drivers 'marktaandeel',
'penetratiegraad' en 'heraankopen'. Supermarkten vinden de voornaamste
beperking in de schapruimte die ze onder de aandacht kunnen brengen bij
winkelaars en het aandeel dat zij hiermee realiseren in de totale consumptie
van de consument. Om de schapruimte zo effectief mogelijk te benutten zijn
belangrijke business drivers 'omloopsnelheid per product(categorie)', 'omzet
en samenstelling per winkelwagen' en ´share of mouth´.
Zoals blijkt uit het voorbeeld van de voedingsmiddelenindustrie zijn
business drivers veelal sterk verweven met de specifieke rol in de keten van
het betreffende bedrijf. Afhankelijk of zij gericht zijn op capaciteit,
product of distributie, hebben bedrijven veelal sterk verschillende business drivers, en vanuit oogpunt van de interne organisatie zijn en blijven deze ook
noodzakelijk. Business drivers bepalen 'harde' bedrijfskenmerken zoals belonings- en controlesystemen en 'softe' bedrijfskenmerken zoals het jargon,
de cultuur, de helden en het type medewerkers dat wordt aangetrokken. Juist
doordat een bedrijf ervan doortrokken is krijgen business drivers impliciete
trekjes. Ze worden vaak geprojecteerd op andere keten-partners en niet
duidelijk uitgesproken. Zonder inzicht in de business drivers en de
consequenties daarvan voor een bepaald type bedrijf, is het moeilijk de
onderlinge verschillen te begrijpen, er begrip voor te hebben en ze te
overbruggen. Indien ze worden erkend wordt het mogelijk er mee om te leren
gaan of zelfs acties te ondernemen om de belonings- en afrekeningsstructuren
dusdanig aan te passen dat de partijen in de keten meer gelijksoortige doelen
nastreven.
Implementatie op operationeel niveau: (open) standaarden in
communicatie(systemen) en goederen
(Open) standaarden zijn voorwaarden voor de implementatie van goede
samenwerking in de keten op operationeel niveau. Hierbij gaat het niet alleen
om goederenstromen, maar ook om generieke en transactie-specifieke
communicatie-stromen.
Communicatiepatronen in bedrijven zijn historisch niet gegroeid vanuit de
communicatiebehoeften in de keten, maar vanuit het bedrijf en de bijbehorende
business drivers. Logischerwijs zijn deze niet optimaal voor de creatie en
levering van klantwaarde in ketenperspectief. Om hier toe te komen moet er
afstemming plaatsvinden tussen drie typen systemen, namenlijk
managementinformatie-, financiële- en planningssystemen:
- Managementinformatie-systemen
verschillen veelal sterk qua software,
verzamelde gegevens en de manier waarop deze worden samengevoegd en
beschermd. Hierdoor kunnen ook semi-openbare documenten en bestanden van
elkaar vaak niet worden gelezen en uitgewisseld. Dit belemmert nuttige
gezamenlijke toepassingen, zoals: productontwikkeling via intranet,
gezamenlijke management-informatie, gedeelde voorraadbeheersystemen en
koppeling van databases.
- Financiële systemen
wijken van elkaar af omdat financiële
stuurgegevens op andere wijzen wordt samengevoegd qua tijdsperiode,
producteenheden en kostenplaatsen. Hiermee is het moeilijker om
-bijvoorbeeld via Activity Based Costing op keten-niveau- de integrale
kosten in de keten boven tafel te krijgen en kansen te identificeren om
kosten te reduceren door de activiteit te verplaatsen naar de meest
efficiënte uitvoerder.
- Planningssystemen
sluiten niet op elkaar aan als resultante van de
verschillende business drivers en informatie- en financiële systemen.
Hiermee wordt het afstemmen van operationele activiteiten gericht op het
leveren van waarde gefrustreerd. Daarbij wordt het opzetten van gezamenlijke
ontwikkelingsprojecten bemoeilijkt.
De technische problemen bij het realiseren van afstemming ten aanzien van
deze systemen zijn en worden verminderd door de open standaarden die zijn
verbonden aan internet-technologie en het wijdverbreid gebruik van software
onder Microsoft Windows. De additionele mogelijkheden die hierdoor zijn
gecreëerd worden nog maar gedeeltelijk benut (‘we kunnen elkaars
attachements nu in ieder geval lezen’). Om hierbij werkelijk een doorbraak
te creëren moeten echter niet alleen de technische verschillen worden
verminderd, maar ook de inhoudelijke verschillen tussen de manieren waarop
informatie wordt gedeeld en gekoppeld in verschillende bedrijven. Effectief
ketenmanagement vraagt om het operationeel realiseren van afstemming in deze
systemen vanuit het strategisch bewustzijn van de achterliggende oorzaken en
patronen.
Tot besluit van dit artikel kan worden gekeken naar de gewenste afstemming
ten aanzien van fysiek standaarden in ketenmanagement. Om te komen tot het
ideaal van keten-omkering als zelf-organiserend systeem voor klanten, is het
noodzakelijk standaarden te creëren voor product-componenten. Zoals boven ook
werd beschreven stelt de klant idealiter zijn eigen product samen uit
modulaire opties. Het kosteneffectief leveren hiervan vereist wel dat deze
modulaire opties op elkaar kunnen worden aangesloten, en dus dat concurrenten
goederen leveren die 'compatible' zijn. Idealiter zitten deze open standaarden
opgesloten in het ´dominant design´ voor het betreffende product. Zo is de
automobielindustrie via standaardisatie hard op weg om te komen tot
daadwerkelijke modulariteit.
De invoering van standaarden in de keten is moeilijk omdat het gezamenlijk
belang (één standaard) ondergeschikt is aan het individueel belang van een
bedrijf ('mijn' standaard). Zeker waar het gaat om technische standaarden die
moeten worden gevolgd door leveranciers van complementaire producten, kan het
oplossen van dit dilemma de door de klant gepercipieerde risico´s van
aanschaf fors verlagen. Typische voorbeelden van waar het ontbreken van
eenduidige standaarden de marktintroductie heeft vertraagd of zelfs doen
mislukken zijn de video, DCC en CD-I.
Het standaardisatie-vraagstuk wordt bemoeilijkt doordat de focus op de
eigen oplossing niet alleen voortkomt uit praktische overwegingen (zoals de
afstelling van machines, verpakkingen etcetera) en geloof in de eigen
superieure oplossing (´not invented here´ syndroom). Het introduceren van
een standaard is ook nog eens onaantrekkelijk vanuit machtsperspectief. Het
vergroot de mogelijkheid om een alternatief product in te kopen bij een
concurrent. Het vergroot wel de klantwaarde in ketenperspectief, maar het
reduceert de toegevoegde waarde van het eigen bedrijf.
Hoe moeilijk echter het definiëren en implementeren van standaarden ook
is, het is niet onmogelijk. Een treffend voorbeeld uit de
voedingsmiddelenindustrie is de invoering van het uniform bierkrat en een
uniform bierflesje (m.u.v. beugel en speciaalbier). Daardoor zijn de handling-
en recycling-kosten in de keten significant verminderd.
5. Case – Langere houdbaarheid van melk
Op het gebied van melk kreeg Albert Heijn klachten binnen met betrekking
tot de houdbaarheid van melk (die identiek was aan die van de belangrijkste
concurrenten). Klanten met klachten zijn ontevreden terwijl service marketing
leert dat tevreden en dus loyale klanten zorgen voor financieel succes.
Logischerwijs wil Albert Heijn tevreden klanten. Deze ontstaan door de
klantwaarde te leveren die klanten verwachten. Daarom richtte Albert Heijn een
multi-company projectgroep op met vertegenwoordigers van Tetra Pak en Coberco.
Deze had tot doel te onderzoeken wat klanten verwachten (van de houdbaarheid)
van melk, en hoe Albert Heijn deze verwachtingen beter kan waarmaken.
Uit het onderzoek bleek dat klanten de houdbaarheid van melk in dagen in
principe korter inschatten dan deze in werkelijkheid is. De klachten hadden
niet te maken met rationele verwachtingen maar met gevoelsmatige
verwachtingen: ‘het is nog vers wanneer ik het open maak’. Albert Heijn
moet deze emotionele verwachtingen evenzogoed vervullen om te komen tot meer
tevreden klanten. De voornaamste oorzaak voor het overschrijden van de
houdbaarheidsdatum bleek dat mensen één keer per week boodschappen doen.
Aangezien 90 procent van de klanten minimaal één keer per week verse
boodschappen haalt lijkt het realiseren van een houdbaarheid van een week ook
een manier om de klachten significant te verminderen. Dit betekende concreet
een houdbaarheid van één dag meer. Een verdere verlenging van de
houdbaarheid is gecompliceerder, omdat dit kan botsen met de manier waarop
klanten ´verse melk’ percipiëren (vers = lekker en gezond). Vanuit het
perspectief van de klant verhoogt echt lange houdbaarheid het risico dat het
niet lekker en gezond is. Vanuit dit perspectief zijn additieven ook
onacceptabel. De prijs van melk is relatief onbekend, maar consumenten zijn in
principe niet bereid te betalen voor meer houdbaarheid. Gecombineerd met het
feit dat melk wordt gezien als een standaardproduct waarop prijzen tussen
supermarkten worden vergeleken, is een prijsverhoging eveneens onacceptabel.
De verwachtingen van klanten en de prijs-inflexibiliteit maken forse
investeringen in een technologische doorbraak bedrijfseconomisch
oninteressant. Daarom is onderzocht of de logistieke processen in de keten
dusdanig verder konden worden geïntegreerd dat de doorlooptijd één dag werd
versneld. Hiertoe is voorgesteld de seriegroottes en productiemomenten van
leveranciers structureel te laten aansluiten op het afname- en bestelritme van
de winkels. Aansluitend zijn plannen uitgewerkt om de besteldiscipline in de
winkels middels opleiding en communicatie te onderhouden, en zijn eisen
gedefinieerd voor het aantal dagen houdbaarheid bij verkoop. Deze
verbetervoorstellen in de keten om de houdbaarheid één dag te verlengen zijn
overgenomen en geïmplementeerd. Doordat de ervaren klantwaarde beter aansluit
op de verwachte klantwaarde is de klanttevredenheid –en het daar causaal aan
gerelateerde financieel succes- vergroot.
Bron: Post, B.J., W. Mijerink & E. de Roller - Melk moet.. maar ook
met een langere houdbaarheid?: Een onderzoek naar de noodzaak van een langere
houdbare dagverse melk voor Albert Heijn B.V. – unpublished case study,
Supply Chain Management Foundation, July 1997.
Case - Doelmatige Promoties in de Voedingsmiddelenindustrie
Binnen Cargill, Unilever, Etos en Albert Heijn bestond het gevoel dat
promoties (tijdelijke kortings- en/of cadeau-acties) rond A-merken wel zorgen
voor verstoringen, irritaties en inefficiëntie tussen de betrokken bedrijven,
maar niet leiden tot significant meer omzet in de keten. Om deze hypothese te
toetsen en eventuele verbeteracties voor te stellen, is een multi-company
projectgroep opgestart.
Onderzoek bevestigde de hypothese. De extra kosten bij promoties werden
geschat op circa twintig procent. Deze bestonden grotendeels uit extra opslag-
en distributiekosten bij de A-merk fabrikant en de retailer, en in mindere
mate bij leveranciers van de fabrikant. Naast een tot vier keer zo lange
doorlooptijd bleken de geproduceerde aantallen tot dubbel zo groot als de
daadwerkelijke verkoop. De promoties leken succesvol vanuit het perspectief
van de fabrikant omdat er meer wordt verkocht. Vanuit het perspectief van de retailer werd er echter niet significant meer verkocht in de product-categorie.
De tijdelijke piek in het ´stuntende´ merk werd bijna volledig gecompenseerd
door verkoopdaling in de direct aansluitende weken en verkoopdaling bij
directe concurrerende merken. Omdat alle A-merk fabrikanten promotie-acties
hebben wordt uiteindelijk niemand er veel wijzer van.
De verhoogde klantwaarde voortkomend uit promoties blijkt zich kortom bijna
alleen te vertalen in extra klanten voor de A-merk fabrikant en niet in
additionele omzet door nieuwe en trouwere klanten in de keten. Het is een
strijd tussen fabrikanten om een tijdelijke vergroting van toegevoegde waarde
ten opzichte van de concurrent te realiseren: een groter deel van dezelfde
koek qua omzet en zelfs een kleinere koek qua winst. De onderliggende business driver van A-merk fabrikanten die zorgt voor deze inefficiëntie vanuit
ketenperspectief is de focus op marktaandeel van het eigen product. Dit botst
met de business driver van de retailer die kijkt naar omzet per product-categorie. Deze business drivers sluiten direct aan op de manier
waarop de betrokken partijen kijken naar de keten: terwijl een supermarkt –evenals
de consument- de verschillende A-merken uit één productcategorie ziet als
één keten, kunnen de A-merk fabrikanten zichzelf beschouwen als een andere
keten dan de concurrent. Logischerwijs ontstaat er naast inefficiëntie ook
spanning en irritatie tussen de A-merkfabrikant en de retailer –die het
gevoel heeft op te draaien voor de kosten van een oorlog die niet de zijne is.
Naast machtsdenken bleek hier ook sprake van een botsing tussen het
ketenbelang en hiërarchische stuurinstrumenten: de A-merk fabrikanten bleken
in de veronderstelling te verkeren dat hun acties meer omzet opleverde bij de
supermarkt want ‘er wordt toch meer verkocht’.
Op basis van de conclusies werd voorgesteld het bewustzijn van de
inefficiëntie van promoties in de keten te vergroten en het verkoopmiddel
promoties te verminderen qua hoeveelheid en intensiteit.
Bron: Dirkzwager, J, R. van Duin, M. Koster & R. Krekels - The
efficiency of Promotions: A study in the Yellow/White Fats supply chain,
unpublished case study, Supply Chain Management Foundation, August 1997.